Valentine Prax

In 1919 verliet Valentine Prax (1897-1981) Algerije om in het centrum van de toenmalige kunstwereld, het Parijse Montparnasse, als kunstenares een nieuw bestaan op te bouwen. In Algiers had zij twee jaar aan de École des Beaux-Arts gestudeerd, waar zij zich vooral bekwaamde in het natekenen van klassieke sculpturen als de Venus van Milo en De discuswerper. In haar 'culturele' bagage bevonden zich verder dichtbundels van Arthur Rimbaud, Mallarmé en een boek over de Griekse mythologie. In Parijs stelde Valentine Prax zich eerst op de hoogte van actuele kunststromingen, zoals het kubisme en het fauvisme. De schilder Charles Dufresne (1876-1938), die in 1910 de Prijs voor de schilderkunst van Noord-Afrika had behaald en twee jaar in haar geboorteland had doorgebracht, moedigde haar aan om de artistieke weg voort te zetten: " Ziedaar een meisje dat talent bezit."

Valentine Prax in 1919,
Collectie: Foto Museé Zadkine, Paris

De Frans-Russische beeldhouwer Ossip Zadkine, met wie Valentine Prax in 1920 inhet huwelijk trad, ontdekte in 1918 de streek Quercy. Ook Valentine Prax raakte onder de indruk van de schoonheid van dit gebied. Deze omgeving inspireerde haar in de jaren twintig tot een groot aantal landschappen en rurale onderwerpen als de jacht, marktbezoek en de landelijke keuken. Ook religieuze feesten en dorpsbruiloften boeiden haar. Een hoofdwerk uit deze periode is La Procession (1925). De kerk en de omringende huizen lijken op een theaterdecor. In contrast met de lange stoet van, voornamelijk in het wit geklede meisjes en vrouwen, staan er drie arbeiders die het tafereel zonder reactie gadeslaan. De naïeve stijl waarin La Procession in geschilderd, wijst in de richting van de volkskunst en is te vergelijken met de manier waarop kunstenaars als Henri Rousseau Le Douanier en Utrillo werkten. De relatie met de volkskunst kan ook worden uitgelegd via een reeks achterglasschilderingen van Valentine Prax, waarover in 1926 in het toonaangevende Brusselse tijdschrift La Centaure een positieve kritiek verscheen

In 1930 schilderde Valentine Prax in heldere rode, blauwe en groene kleuren het doek Femme assise lisant. De kunstenares heeft op een kastje een stilleven in kubistische trant, bestaande uit fruit en een waterkan, gesitueerd. De weergave van het hoofd van de afgebeelde figuur lijkt te zijn beïnvloed door de eigentijdse beeldhouwkunst. Valentine Prax had inmiddels ruimschoots aangetoond haar eigen weg te kunnen gaan. Het was duidelijk dat zij aansluiting had gevonden bij de kunstuitingen van grootheden als Cézanne, Picasso en Rouault. Haar beeldtaal behoorde -bekend als zij was met de Parijse avant-garde- tot de toonaangevende 'École de Paris'. De kunstenares werd in deze jaren regelmatig uitgenodigd om in vooraanstaande galeries haar werk te tonen, van The Arts Club of Chicago (1930) tot Galerie Zack in Parijs ( 1938). Voor de Exposition Universelle (1937) ontwierp deze representante van de zogenaamde Ècole de Paris een groot schilderij op glas.

 

'Stilleven met schelpen', ca. 1930,
achterglasschildering, 45 x 60 cm.

Het uitbreken van de Tweede Oorlog had voor Valentine Prax en Ossip Zadkine grote gevolgen. Hij vluchtte in 1941 per schip naar New York, terwijl Valentine Prax alleen achterbleef in hun woning in Les Arques, gelegen in het departement Le Lot. Lange tijd vernam zijn niets van hem. Desondanks ontstonden in deze moeilijke tijd een reeks belangrijke schilderijen. In het boek Avec Zadkine, souvenirs de notre vie ( 1973; heruitgave 1995) gaf Valentine Prax aan het met deze opvatting volledig eens was: " Ik werkte, werkte..... En zonder twijfel, is deze oorlogsperiode de belangrijkste voor mijn artisieke produktie. Ik exposeerde zelfs. In Parijs, in de Galerie de France, maar ik ging niet naar de vernissage."


'Stilleven met wereldbol', ca. 1935,
olieverf/doek, 63 x 80 cm.

In september 1945 keerde Zadkine 'ziek, ongelukkig en berooid' terug uit de Verenigde Staten. Het echtpaar maakte eennieuw start. Pas na jaren procederen kregen ze hun Parijse atelier terug. Op artistiek terrein volgde na de Tweede Wereldoorlog een rustige periode, waarin Valentine Prax nauwelijks van zich deed spreken. In augustus 1954 werd zij uitgenodigd om als eerste exposant in het nieuwe gebouw van De Arbeiderspers in Arnhem de expositieruimte De Populier in te wijden. Deze tentoonstelling reisde in ongewijzigde vorm door naar Rotterdam, waar de veertien schilderijen en zestien gouaches in de expositiezaal van de Rotterdamse Kunststichting aan de Korte Lijnbaan begin 1955 te zien waren. Naast Le Vin Rouge en Le Coq, maakten onder andere La Chute d'Icare (1948) en La Fin des temps romantiques (1949) deel uit van deze expositie. De criticus Frans Hannema gaf een adequate typering van het getoonde materiaal: " Valentine Prax is eerder een expressionist met herinneringen aan kubistische vormgeving en compositie; zij heeft een vrije en sterke verbeeldingskracht en hanteert een stralend uit blauwen en groenen, roden en bruinen in fijne schakeringen genuanceerd kleurengamma."


'Schaal met vlinder',
olieverf/doek, 80 x 65 cm.

De tentoonstelling in Arnhem was de eerste solo-presentatie van Valentine Prax in Nederland. Lang voor de oorlog waren er al Nederlanders die werk van haar verzamelden. Les Porteuses de Fagots, Jeune Fille nue devant la Cheminée en nog enkele andere doeken maakten deel uit van de verzameling Regnault. Hij ging midden jaren twintig op atelierbezoek in Parijs en maakte daar zijn keuze.

Ook de arts, schilder en verzamelaar Hendrik Wiegersma en diens vrouw Nel maakten in deze tijd kennis met het kunstenaarsechtpaar. Zij waren naar Parijs gekomen eom een vleugel te kopen, maar keerden huiswaarts in het bezit van Zadkines sculptuur Femme à la Cruche. De vriendschappelijke contacten met de familie Wiegersma bleven bestaan. Zadkine en zijn vrouw logeerden herhadelijk bij hen in het Brabantse Deurne.

Een andere Nederlander, Jacob de Graaff, was eveneens onder de indruk van de beelden van Zadkine en de schilderijen van zijn vrouw. Via een legaat is het werk Vlinders uit deze collectie terechtgekomen in de verzameling van de Hannema-De Stuers Fundatie, gevestigd in het Nijenhuis in Heino.

Het werk uit de naoorlogse periode wordt gekenmerkt door een terugkeer naar lichte, uitbundige en harmonieuze kleuren, een sterk poëtisch karakter en een voorliefde voor ( soms mythologische) thema's waarin met name, musici, kinderen, dieren ewn de zee een rol spelen. De plaats waar de twee vrouwen op Le Dernier Voilier ( 1960) en Les Gens de la mer ( 1966) zich bevinden, is mogelijkerwijs eeen verwijzing naar de Noordafrikaanse kunstplaats Bône, waar Valentine Prax werd geboren en op groeide.

Na de dood van Zadkine in 1967 heeft Valentine Prax alles in het werk gesteld om zijn nalatenschap zo goed mogelijk te regelen. Dit leidde uiteindelijk tot het charmante Musée Zadkine, één van de Musées de la Ville de Paris, dat zich op steenworp afstand van de Jardin du Luxembourg bevindt. Ook een belangrijk deel van haar artistieke nalatenschap vond onderdak in het Parijse huis met atelier in de Rue d'Assas.

Literatuur:

M. Jager, J. Wesselingh e.a.,'Valentine Prax. Uit de schaduw van Ossip Zadkine', Deurne, 2006
H. Knap, 'Valentine Prax en Ossip Zadkine. Portret van een kunstenaarshuwelijk ', Rotterdam, 2001.


 

 
Meer informatie:
 
www.galeriequintessens.nl